Atelier Emmaus

Fabeldier (01BK02B02)

Samenvatting van de opdracht

Je tekent een fabeldier dat kenmerken heeft van tenminste drie bestaande dieren, met speciale aandacht voor de structuur.

Gegevens van deze opdracht

  • Maximaal aantal lesuren voor deze opdracht: 2,5
  • Belangrijkste beeldaspect(en): structuur (textuur), vorm
  • Soort ondergrond (drager) en formaat: 32,5 x 25 cm (staand of liggend, naar keuze)
  • Benodigde materialen: potlood, puntenslijper, fineliner, eventueel gum
  • Hanteringswijze(n): eerst schetsen, dan structuren tekenen met fineliner
  • Weging: 5
  • Invalshoek(en): fantasie

Werkzaamheden per les (de les waar je nu mee bezig bent, is in rood weergegeven).

Gewerkte uren aan deze opdracht: 0

  • Les 1: Opzoeken van de afbeeldingen en schetsen van het dier, te beginnen met 'skelet' (zie uitleg)
  • Les 2: Structuren tekenen met fineliner (geen omtreklijnen)
  • Les 3: Tekening met fineliner afmaken

Uitleg

Al sinds de oudheid fantaseren mensen over dieren die niet bestaan. Meestal verzinnen ze dan dieren die niet helemaal nieuw zijn, maar die zijn opgebouwd uit bestaande dieren.

Zo heeft de griffioen het voorlijf, de kop en de vleugels van een adelaar en de achterlijf van een leeuw. Zo combineerde men de koning van de dieren in d hemel met de koning van de dieren op aarde tot een nieuw wezen, dat er ook best nog geloofwaardig uitzag. In de middeleeuwen werden er boeken (bestiaria), gemaakt waarin deze fabeldieren waren afgebeeld en uitgebreid werden beschreven.

Ook de Nederlandse kunstschilder Jeroen Bosch (±1450-1516) was zeer geboeid door dit soort fantasieschepselen en bedacht er heel veel.

Je gaat nu zelf zo'n fabeldier tekenen.

  • Jouw fabeldier moet de kenmerken hebben van tenminste drie bestaande dieren.
  • Zoek eerst minstens drie plaatjes van dieren die je wilt combineren. Je kunt beginnen met het raadplegen van het voorbeeldboekje dieren, maar ook elders op Internet zoeken.
  • Neem een vel van 32,5 x 25 cm en schets daarop zo groot mogelijk en in heel dunnen lijnen een (sterk vereenvoudigd) geraamte voor je nieuwe dier. Je kunt daar ook hoorns, een gewei, een schild, een slakkenhuis e.d. aan toevoegen. Zorg voor logica in dat geraamte (denk aan onderdelen als: schedel, kaak, nekwervels, ribbenkast, wervelkolom, bekken, bovenbenen, onderbenen, klauwen, vingers, hoeven, gewrichten enz. enz.)
  • Als je het skelet hebt staan, schets je daarop de basisvormen (die in werkelijkheid gevormd zouden zijn door spieren en bindweefsel rond de botten).
  • Dan ga je met fineliner het hele dier structuur geven Teken met fineliner GEEN OMTREKLIJNEN!
    Kijk goed en voortdurend naar voorbeelden van de verschillende dierstructuren. Maak de structuur dichter (=meer streepjes bij elkaar) aan de schaduwkanten van de vormen (meestal de onderkant).Ga zo door tot het hele dier een fijne structuur heeft. Werk ook de details uit (zoals ogen, oren en nagels).

Verdere informatie.

Afbeelding

Wat ga je door deze opdracht leren?

Je leert hoe een dier in elkaar zit (anatomie) en verschillende structuren en patronen 'vertalen' naar lijn (arceren).





PRINT Stampa pagina